Mary Daly was jarenlang vanaf1966 tot 1999 als theoloog verbonden aan het katholieke Boston College, een bastion van de Amerikaanse jezuïten. Daar kreeg ze pas begin jaren zeventig een vaste aanstelling onder druk van de studenten die haar vernieuwende colleges volgden. Uiteindelijk konden de jezuïten haar pas ‘wegwerken’ toen ze bleef weigeren mannen toe te laten tot haar colleges – wat op grond van de onderwijswet als een vorm van discriminatie door het universiteitsbestuur kon worden aangemerkt.
Als eerste definieerde Daly een radicaal feminisme, waarvan de belangrijkste doelstelling de afschaffing van het patriarchaat moet zijn. Alleen daardoor kon volgens Daly de onderdrukking van de vrouw verdwijnen. De onderdrukkingsmechanismen in patriarchale culturen beschreef ze in haar eerste feministische werk The Church and the Second Sex uit 1968.
In haar tweede werk Beyond God the Father: Toward a Philosophy of Women’s Liberation (1973) rekende zij radical af met de volgens haar onderdrukkende vadergod. Een derde belangrijk boek Gyn/ecology: A Metaetics of Radical Feminism verscheef in 1978.
Vanwege haar opvattingen werd Dalt wegens ketterij uitgesloten uit de katholieke kerk. Daar zal ze niet erg over getreurd hebben, want wie opkomst voor gelijke rechten van vrouwen en mannen in de Kerk van Rome vergelijkt ze met zwarte mensen die vragen om toelating tot de Ku Klux Klan.
Mary Daly is uit de kast gekomen als een onverbloemde lesbienne – en ook daarin was algauw omstreden. Mannelijke homo’s interesseren haar niet en transseksuelen al helemaal niet omdat zij in hen een soort mannelijke profiteurs van de vrouwelijke sekse veronderstelt. Het leverde haar de kwalificatie ’transfoob’ op.