Terug naar overzicht

Homopesters Leidsche Rijn niet vervolgd

Het homopaar vindt dat politie en justitie niet snel en adequaat genoeg reageerden toen zij geconfronteerd werden met scheldpartijen, vernielingen en bedreigingen door enkele allochtone jongeren.

Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat niet alle getuigen gehoord zijn en dat politie en justitie niet genoeg prioriteit aan de zaak hebben gegeven.

De advocaat van het Utrechtse homopaar, Yehudi Moszkowicz, had een zogenaamde artikel 12-procedure aangespannen om vervolging van de overlastplegers af te dwingen. De advocaat wil dat gebruiken in een civiele zaak waarin de gemeente, de politie en de staat aansprakelijk worden gesteld voor materiële en immateriële schade die het homopaar heeft geleden.

Door de pesterijen zou het homopaar hun huis noodgedwongen onder de marktwaarde hebben moeten verkopen en zouden ze ernstige psychische problemen hebben opgelopen. De erkenning van het Gerechtshof dat politie en justitie nalatig hebben gehandeld geeft de advocaat goede hoop op een positieve uitspraak in die civiele procedure.

De homopesters zijn volgens Moszkowicz tien tot twaalf jongens tussen 15 en 18 jaar uit de buurt. Het homopaar heeft diverse aangiften gedaan van belediging, bedreiging, openlijk geweld en vernieling, in de zomers van 2009 en 2010.

‘Mijn cliënten zijn stelselmatig uitgescholden en bedreigd, hun autoruiten zijn vernield, hun banden lek gestoken en hun motorkap bekrast’, aldus Moszkowicz. ‘Er is een steen met daarop vuurwerk gebonden tegen het raam van hun huis gegooid. Hun auto is ingehaald en tot stoppen gedwongen, waarna de auto voor hen achterwaarts een harde aanrijding veroorzaakte’.

De kwestie leidde vorige zomer tot veel ophef. Diverse Kamerfracties stelden Kamervragen aan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie en het COC had over deze zaak overleg met de Utrechtse burgemeester Aleid Wolfsen.

Zie:

Gerechtshof Arnhem – LJN: BR0342, vonnis K10/0408

Zie voor meer informatie ons dossier Veiligheid en discrminatie.