Piotr Kozak leefde negen jaar samen met zijn partner samen toen die in 1989 overleed. De huurovereenkomst van de woning waar het paar woonde stond op de naam van zijn partner en na zijn dood wilde Kozak de overeenkomst op zijn laten overzetten zodat hij in zijn woning kon blijven wonen.
Ondanks het feit dat Polen enkele rechten geeft aan samenwonende partners werd de vraag van Kozak door de autoriteiten verworpen. Die oordeelden dat deze rechten enkel voor gehuwden golden en niet voor ongehuwd samenwonende homoseksuele paren. De autoriteiten argumenteerden die weigering op grond van de Poolse Grondwet waar in artikel 18 het huwelijk gedefinieerd wordt als een ‘wettelijke band tussen een man en een vrouw’.
Het Europese Hof verwerpt dit argument unaniem en oordeelde dat Polen de artikelen 14 (verbod op discriminatie) en 8 (het respecteren van het privé- en familieleven) van het Europees Handvest voor de Rechten van de Mens overtreedt door het samenwonen van homoseksuele paren niet te erkennen.
Het Hof oordeelde dat de term ‘samenwonen als gehuwden’ ook van kracht is op homoseksuele paren. Het Hof heeft Polen aangeven dat hij land in zijn wetgeving een evenwicht moet vinden tussen de bescherming van het gezin en de mensenrechtenwetgeving die ook van toepassing is op samenlevende holebi’s.
Directrice van ILGA-Europe Evelyne Paradis, is verheugd door de uitspraak van het hof.
‘Dit is de tweede beslissing van het Europese Hof voor de Mensenrechten dat oordeelt dat als een land rechten geeft aan samenwonende partners van een ander geslacht, het die rechten ook moet toekennen aan koppels van hetzelfde geslacht’.
In 2003 tikte het Europese Hof voor de Mensenrechten in de zaak Karner v. Oostenrijk dat land op de vingers omdat het homoseksuele paren discrimineerde omdat de huurwet niet dezelfde rechten gaf als ongetrouwde heteroseksuele partners.
Zie verder ons dossier Polen.